“Van vechtcontracten naar vredes­akkoorden: wie durft?”

| |

“Rijkswaterstaat wil einde aan vechtcontracten”, sierde eind januari een kop in Cobouw. De grootste opdrachtgever van Nederland is het beu om te blijven hangen in…

“Rijkswaterstaat wil einde aan vechtcontracten”, sierde eind januari een kop in Cobouw. De grootste opdrachtgever van Nederland is het beu om te blijven hangen in wij-zij-stellingen en wantrouwen, aldus het artikel. Zij roept om een nieuwe cultuur met onder meer (keten)samenwerking, open boeken en vertrouwen.

De geschetste sentimenten zullen voor velen herkenbaar zijn. Ongetwijfeld ook voor decentrale overheden en andere (semi-)publieke opdrachtgevers. Hoe Rijkswaterstaat het tij wil keren, wordt alleen niet duidelijk. Een panklare oplossing zal ook zeker niet bestaan. Om de gewenste omslag te bereiken, zal er veel moeten veranderen. Het begint naar mijn mening met het besef dat vrijwel alle contracten in de basis vechtcontracten zijn, althans de kenmerken bezitten om vrij eenvoudig tot een vechtcontract te verworden. Ik bedoel hiermee dat in beginsel ieder recht van de ene partij een verplichting van de andere betekent. Een risico voor de een, is geen risico voor de ander. Een terechte aanspraak van de een, kost de ander geld. Kortom, bij dergelijke contractvormen zijn de belangen voor opdrachtgever enerzijds en opdrachtnemer anderzijds veelal omgekeerd recht evenredig. Ik noem dit ‘polaire’ contractvormen. Hieronder vallen mijns inziens onder meer traditionele contractvormen op basis van de UAV 2012, geïntegreerde contractvormen op basis van de UAV-gc 2005, maar ook full-fledged PPS-contracten als DBFM(O).

Een van de weinige voorbeelden van een ‘apolaire’ contractvorm is een alliantiecontract, misschien daarom wel dé publiek-private samenwerking bij uitstek. Een (project)alliantie is een samenwerkingsvorm tussen een opdrachtgever en een opdrachtnemer die als één gezamenlijke projectorganisatie verantwoordelijk is voor de realisatie van het project. De projectrisico’s worden in de alliantie ondergebracht en winst en verlies worden volgens een bepaalde sleutel verdeeld. Opdrachtgever en opdrachtnemer werken op gelijke voet als partners met elkaar samen, met een gemeenschappelijk doel. Wederzijds respect en een goede communicatie zijn key. Mechanismen in het alliantiecontract geven op de juiste wijze sturing aan dergelijke ‘zachte’ aspecten binnen een samenwerking. Alliantiecontracten zijn veelal gebaseerd op beginselen als ‘alle partijen maken winst of alle partijen lijden verlies’, ‘besluiten op basis van unanimiteit’ en ‘beslissingen op basis van wat het beste is voor het projectresultaat’.

Alliantiecontracten zijn tot nu toe – vreemd genoeg – slechts mondjesmaat in Nederland toegepast. ‘Onbekend maakt onbemind’ zal hier zeker mee van doen hebben. Misschien ook de – onterechte! – veronderstelling dat het aanbestedingsrecht gunning van alliantiecontracten niet of nauwelijks mogelijk zou maken. Tot slot speelt wellicht ook een rol dat een vaste aanneemsom ontbreekt: binnen een alliantie wordt gestuurd op een target, over- en onderschrijdingen worden gedeeld. Politiek en bestuur hechten echter nog altijd sterk aan zekerheid vooraf. De ervaring leert alleen dat deze maar al te vaak schijn blijkt te zijn…

Als we kijken naar de paar ervaringen die hier te lande met alliantiecontracten zijn opgedaan, dan blijkt echter dat die vrijwel zonder uitzondering zeer positief zijn geweest. Rijkswaterstaat zelf heeft zich over deze samenwerkingsvorm bovendien nog niet zo heel lang geleden zeer lovend uitgelaten (zie het boek: ‘Het Experiment A2 Hooggelegen – Een geslaagde nieuwe weg’, Rijkswaterstaat/Trajectum Novum, 2011).

Reden genoeg wat mij betreft om de alliantie veel vaker als serieus alternatief voor al die ‘polaire’ contractvormen te beschouwen. Let wel, alleen alliantiecontracten vormen vermoedelijk nog niet de gehele oplossing voor het geschetste probleem van Rijkswaterstaat. Maar als zij – of welke andere opdrachtgever dan ook – daadwerkelijk op zoek is naar échte samenwerking, open boeken en wederzijds vertrouwen, ben ik van mening dat deze samenwerkingsvorm daaraan een zeer grote bijdrage zou kunnen leveren. Wie durft?

Michel Klijn (Advocaat, Houthoff Buruma) April 2015